Logo belwind
Language: NL | FR | EN

Belwind in het kort

In september 2009 begon Belwind met de bouw van 55 windturbines op de Bligh zandbank, 46-52 kilometer voor de kust van Zeebrugge.

Belwind in de pers 04-10-2012

Een ondernemende bonenteller

Lees verder
Nieuwsbrief Aanmelden nieuwsbrief

Home

De Belgische nv Belwind bouwt de grootste hernieuwbare elektriciteitscentrale in ons land: een windturbinepark in de Noordzee met 55 turbines.

Geen enkel windpark ligt verder van de kust of dieper verankerd in de zeebodem.

Het is ontwikkeld in slechts 3,5 jaar en gebouwd in 13 maanden.

Dit staaltje technisch vernuft zal groene stroom voorzien voor 160.000 gezinnen.

Dankzij de medewerking van lokale, regionale en nationale overheden werd het project in een recordtijd gerealiseerd. 

Voor de fundering van de 55 windturbines en van het offshore hoogspanningstation (OHVS) gebruiken we kant-en-klare palen uit 7 cm dik staal. Deze ‘monopiles’ laten zich makkelijker en sneller plaatsen dan vakwerkmasten of funderingen uit beton. De gigantische holle buizen hebben een doorsnede van 5 meter en kunnen tot 72 meter lang zijn. In de plaats van deze 300 tot 550 ton zware palen te vervoeren per schip, laten wij ze drijven. Daartoe sluiten we de beide openingen luchtdicht af met een hydraulische plug. De weersomstandigheden bepalen voor een groot stuk het tempo van de werken. Zo vaart de sleepboot enkel uit als de golven minder dan 1 meter hoog zijn. Hij doet er ongeveer 6 uur over om de Bligh zandbank te bereiken.

Ter hoogte van de zandbank wordt de paal overgenomen door het machtige hefschip Svanen, met een hijsvermogen van 8.700 ton de sterkste drijvende kraan ter wereld. Met een speciale grijphaak tilt de Svanen de monopile in de lucht. Na het verwijderen van de luchtdichte afsluitingen wordt de paal op de gewenste positie gebracht. Met de GPS bepalen onze technici die positie tot op één centimeter nauwkeurig, wat één uur uiterste concentratie vereist. Omdat de zee op de zandbank 20 tot 37 meter diep is, varieert ook de lengte van de funderingspalen, van 50 tot 72 meter. Het duurt zowat 3 uur om een paal 35 meter diep de zeebodem in te slaan.  De laatste slagen zijn tot 12 keer krachtiger dan de eerste. Vooraleer we de paal in de bodem hameren, sturen we speciale geluidssignalen uit om de zeedieren te verjagen.  Als het stil wordt, steekt van de funderingspaal nog maar een klein stukje boven het water uit.

In de tweede bouwfase komt er op elke funderingspaal een kant-en-klaar tussenstuk, voorzien van aanmeerpunt, 25 meter hoge ladder, platform, toegangsdeur en pijpen waar de stroomkabels doorheen lopen (ter bescherming tegen de golven). Elk tussenstuk heeft een diameter van 4,30 m, is 25 meter hoog en 167 ton zwaar.  Het installatieplatform JB 114 vervoert de tussenstukken per 3 van de haven naar de Bligh zandbank, een reis van 6 uur. Ter hoogte van de zandbank schuiven de 70 meter lange poten uit en zet het schip zich vast op de zeebodem.  Eens deze poten stevig op de zeebodem staan, krikt het platform zichzelf uit het water.  Hierdoor wordt het ongevoelig voor de golven en is het een stabiel werkvlak voor uiterst precies kraanwerk.

Een kraan tilt het tussenstuk op en schuift het over de funderingspaal, 7 meter overlappend. We zetten het tussenstuk perfect verticaal, en corrigeren de eventuele afwijking van de funderingspaal, die maximaal 0,3 graden uit het lood mag staan. Aangezien het bovenste uiteinde van de funderingspaal een kleinere diameter heeft dan het tussenstuk, is er ter hoogte van de 7 meter overlapping rondom een holle ruimte. Daarin storten we 6,5 m³ beton, om het tussenstuk definitief op de funderingspaal te verankeren.  Het geheel (funderingspaal plus tussenstuk) is nu 65 tot 90 meter lang, waarvan het grootste deel in de zeebodem en onder water zit. Het platform steekt 17 meter boven de zeespiegel uit.

Omdat het op zee moeilijker werken is, assembleren we de turbines grotendeels aan land. De twee delen van de mast worden aaneengezet en ook de gondel en de rotorkop worden geassembleerd. Daarna wordt de hele installatie op land al volledig elektrisch getest. Na montage zal het installatieplatform JB 114 telkens 2 rechtopstaande masten, 2 gondels en 6 losse rotorbladen transporteren naar het windpark.

Ter plaatse zetten we op het gele tussenstuk eerst de 55 meter lange mast en daarop de gondel met rotorkop. Die heeft het formaat van een bus en weegt 120.000  kg. Dan plaatsen we in de kop de drie rotorbladen die 44 meter lang zijn. In de hoogste stand komen de uiteinden van de bladen tot 117 meter boven de zee uit. De funderingspalen meegerekend, bereikt de constructie nu een totale hoogte van bijna 190 meter. Bij goed weer kan de turbine op zes uur tijd geassembleerd worden.

De windturbines zijn via infieldkabels (33 kV) met elkaar verbonden, in 5 ‘strings’ van 10 turbines en 1 string van 5 turbines. Per string loopt er ook een 33-kV kabel naar het OHVS hoogspanningsstation op zee (Offshore High Voltage Station). Alle infieldkabels samen hebben een lengte van 50 km. Om de kabels te beschermen, worden ze in de zeebodem ingegraven. Het OHVS zet de spanning van 33kV om in 150 kV, waardoor er minder verlies optreedt tijdens het transport. Het station ligt midden in het park, telt 5 verdiepingen van 250 vierkante meter en weegt 1.100 ton.Vanaf het OHVS vertrekt er een 30 cm dikke, 52 km lange exportkabel (150 kV) richting het vasteland. De kabel wordt in één stuk afgerold en daarna ingegraven in de zeebodem.  Op het strand van Zeebrugge wordt de exportkabel aangesloten op een 3 km lange landkabel. Die leidt naar een tweede hoogspanningsstation, het Booster Transformator Station. Dat regelt de blindstroom, waarna de stroom in Zeebrugge op het transmissienet van Elia gezet wordt, en dan via het distributienet tot bij de eindgebruikers wordt gebracht.